← Alle boeken

Spreuken 16

Vertaling:WEBSV
Commentaar: Matthew Henry

1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.

2Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.πŸ’¬

3Wentel uw werken op den HEERE, en uw gedachten zullen bevestigd worden.πŸ’¬

4De HEERE heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil; ja, ook den goddeloze tot den dag des kwaads.πŸ’¬

5Al wie hoog is van hart, is den HEERE een gruwel; hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn.πŸ’¬

6Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade.πŸ’¬

7Als iemands wegen den HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen.πŸ’¬

8Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.πŸ’¬

9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.πŸ’¬

10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.πŸ’¬

11Een rechte waag en weegschaal zijn des HEEREN; alle weegstenen des zaks zijn Zijn werk.πŸ’¬

12Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.πŸ’¬

13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.πŸ’¬

14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.πŸ’¬

15In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.

16Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!πŸ’¬

17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.πŸ’¬

18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.πŸ’¬

19Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen.πŸ’¬

20Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig.πŸ’¬

21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.πŸ’¬

22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.πŸ’¬

23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.πŸ’¬

24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.πŸ’¬

25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.πŸ’¬

26De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.πŸ’¬

27Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.πŸ’¬

28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.

29Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.πŸ’¬

30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.

31De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.πŸ’¬

32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.πŸ’¬

33Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE.πŸ’¬